De Digitale Poleis van Vlaanderen

Sinds zijn ontstaan is België steeds een tegenstelling geweest. Een maatschappelijke breuklijn die steeds zichtbaarder wordt en zich zelfs in een regering die niets communautair op de agenda wenst te plaatsen, toch zich prominent op het voorplan weet te plaatsen. De tegenstelling tussen het politieke Vlaanderen en het politieke Wallonië zijn van zulke aard dat het samenleven steeds onhoudbaarder wordt. Dat vertaalt zich uiteraard in partijstandpunten. De N-VA als grootste partij van Vlaanderen kiest in zijn statuten duidelijk voor de Vlaamse onafhankelijkheid. De andere meerderheidspartijen CD&V en Open VLD zijn minder eenduidig in hun standpunt, met aan de ene zijde belgicisten en aan de andere zijde vele voormalige VU-leden. Het grote probleem is echter dat niemand echt duidelijk schetst hoe dat nieuwe Vlaanderen of dat nieuwe België er dan net uit moeten gaan zien. Hoe wordt zij bestuurlijk ingedeeld, welke instellingen en instituties zullen er nog nodig zijn en welke zullen erbij komen. Zowel de belgicisten als de Vlaams-nationalisten blijven net iets te vaak stil op dat vlak. En ongeacht de weg die uiteindelijk gekozen zal worden, het onafhankelijke Vlaanderen, het confederale België of het unitaire België, we staan op een punt in de geschiedenis waarin we de mogelijkheid hebben, de verplichting zelfs, om tabula rasa te maken met de fouten uit het verleden en deze gigantische miskleun van bestuurlijke indeling. Ander en beter bestuur, met andere woorden. Maar hoe?

Binnen de Open VLD is de discussie recentelijk aan de oppervlakte gekomen. Het politieke schisma tussen de twee democratieën in dit land heeft geleid tot een onoverzichtelijk kluwen van bevoegdheden, spierballengerol en getouwtrek. We zijn in een situatie aanbeland waarin beide landsdelen vooruit willen, maar in tegengestelde richting. Complete stilstand is het gevolg, ongeacht de partijen die aan de macht zijn. België kan eenvoudigweg niet meer bestuurd worden op adequate wijze. Alexander De Croo stelde nog niet zo lang geleden een herfederalisering voor van bepaalde bevoegdheden om uit de bestuurlijke impasse -waar de Zesde Staatshervorming van Di Rupo rechtstreeks verantwoordelijk voor is- te geraken. Maar prediken dat een herfederalisering, al is het maar van enkele bevoegdheden, of een herenigd unitair België een oplossing kan zijn voor het schisma in dit land, kan evengoed de platte aarde gaan prediken. Zoals CD&V en N-VA duidelijk hebben laten weten, is er voor een unitair België geen politieke meerderheid, laat staan de noodzakelijke twee-derde meerderheid. Daarenboven hebben Vlaanderen en Wallonië zich ontwikkeld als twee democratieën, met een eigen karakter, een eigen cultuur, eigen problemen die eigen, specifieke oplossingen noodzaken. Oplossingen die een unitair België eenvoudigweg niet kan bieden. Aan de VRT zei De Croo dat het beleid in België efficiënter moet. De bevoegdheden liggen verspreid over verschillende bestuursniveaus welke onderling met elkaar overhoop liggen. Hij gaat verder met te stellen dat sterkere gewesten een dogmatische discussie zijn en dat we moeten nadenken over hoe we het beter kunnen organiseren. De Croo pleit voor een gedeeltelijke herfederalisering. Hoewel mijn inziens de oplossing van De Croo geen antwoorden biedt op de gestelde problemen, is zijn analyse correct. Er moet iets gebeuren met de herverdeling van de bevoegdheden om dit land weer vlot te trekken. Maar om de versterking van de gewesten een dogmatisch handelen te noemen in plaats van een pragmatisch, is ronduit fout.

Ongeveer tezelfdertijd als het idee van De Croo, publiceerde Vincent Van Quickenborne zijn visie op de situatie in De Standaard. Zijn pleidooi hield geen herfederalisering in, maar een nog verder doorgedreven overheveling van bevoegdheden naar de lagere bestuursniveaus, hij pleitte voor de Verenigde Steden van Vlaanderen. In het stuk pleit hij voor een ambitieuzere invulling van de lokale autonomie en de taak die daarin voor de Vlaamse overheid is weggelegd. Ik kan hem geen ongelijk geven, het stuk dat ik kortgeleden schreef voor JeV over het belang van doordachte subsidiariteit en glocalisering vertrekt immers van dezelfde premisse. Een moderne democratie moet van onderuit worden opgebouwd, waarbij de beslissingen en de macht zo dicht mogelijk bij de burger dienen gehouden te worden. Niet in een stoffig halfrond in Brussel of Straatsburg. Het hogere niveau dient enkel het strikt noodzakelijke te behandelen. En hoe minder intermediaire niveaus, hoe beter. Van Quickenborne schrijft dat hij Vlaanderen ziet evolueren naar 25 stadsregio’s en streekbesturen. Ook hier moet ik hem volmondig bijtreden. Herstappe is Antwerpen inderdaad niet. Het doet wat vreemd aan om een toppoliticus hetzelfde standpunt te zien innemen dat ik steeds stellig heb verdedigd. Maar het stemt me goed dat mensen met meer ervaring dan ondergetekende tot dezelfde inzichten komen. Toch stel ik me de vraag waarom Van Quickenborne nu pas met het idee op de proppen komt. Tijdens de legislaturen waarin hij deel uitmaakte van de federale regering, werden stad en provincie Antwerpen steevast stiefmoederlijk behandeld. Nochtans is de provincie Antwerpen goed voor maar liefst 16% van de Belgische bevolking en 18,9% van het bbp. Maar wat toen goed was voor Bergen, Hasselt en Gent, moest per definitie toch ook goed zijn voor Antwerpen, niet? Niet. Het is jammer dat pas wanneer er hernieuwde aandacht is voor Antwerpen en haar problemen, Quickie tot het besef komt dat de ene streek de andere niet is. Maar goed, liever laat dan nooit. Want het is ook gewoon een feit, Herstappe is Antwerpen niet, Gent is Brussel niet en Brugge is Hasselt niet. Elke stad heeft een eigen identiteit, een eigenheid die haar puur en onevenaarbaar maakt, uniek in al haar aspecten. Het valt mij als Antwerpenaar zwaar om toe te geven, maar elke stad heeft een schoonheid die in geen enkele andere stad terug te vinden is, en elke stad, elke streek dient in die eigenheid gerespecteerd te worden, wat per definitie een meer gediversifieerde aanpak noodzaakt. Even grappig als droevig is hier de hypocrisie van sommige politici -Calvo op kop- die enerzijds pleiten voor het behoud van de individuele vrijheid en eigenheid en de betrokkenheid van de burgers bij het beleid, en anderzijds pleiten voor een unitair België die alle eigenheid en de korte lijn met de bevolking net uitwist. De enige manier om individuele vrijheid en eigenheid te vrijwaren is het bestuur zo dicht mogelijk bij de mensen te brengen. Een doorgedreven lokalisering van de politiek dus.

Of met de zesde staatshervorming de Vlaamse autonomie een hoogtepunt bereikt, zoals Van Quickenborne stelt, durf ik zeer te betwijfelen. Eerder is het een onoverzichtelijk kluwen van half overgedragen bevoegdheden, waar noch de Vlaamse regering, noch de federale regering weten waar hun bevoegdheden nu beginnen en deze van de andere eindigen. Gevolg is een veelheid aan procedures bij de Raad van State. Daarenboven ben ik stellig overtuigd dat alle federale bevoegdheden, zonder uitzonderingen, dienen overgedragen te worden naar het lokale, al dan niet het Vlaamse of Europese niveau. Afhankelijk van op welk niveau zij het meest positieve effect kunnen bewerkstelligen voor de bevolking en de leefomgeving. Zo huist vandaag reeds het landbouwbeleid op Europees niveau, en zoals steeds zijn er vele punten op aan te merken, maar feit blijft dat sinds de invoering van het GLB (Gemeenschappelijk Landbouw Beleid), er in geen enkel Europees land nog hongersnood is geweest. Iets wat zeker in Oost-Europa enkele jaren ervoor nog niet zo ondenkbaar was. Het Vlaams niveau dient dan een meer confederaal stelsel te volgen, waarbij haar voornaamste taak is de uniformiteit van beleid tussen de lokale stadsregio’s en streekbesturen te handhaven. Zo dient de wegcode bijvoorbeeld een volledige Vlaamse bevoegdheid te worden, het zou immers een vreemde en vooral gevaarlijke situatie vormen moest de helft van de steden plots besluiten links te gaan rijden. Jeugdwerking bijvoorbeeld kan perfect een lokale bevoegdheid zijn zonder enige inmenging van bovenaf.

In mijn stuk voor JeV stel ik duidelijk dat centralisatie (globalisering) en decentralisatie (lokalisering) elkaar niet hoeven uit te sluiten. De zogenaamde ‘glocalisering’, een term die ik ontleend heb bij de Amerikaanse politicoloog Benjamin Barber, vertrekt mijn inziens van een weldoordachte subsidiariteit, waarbij de hogere bestuursniveaus enkel bevoegd zijn voor wat op lokaal niveau niet kan gedaan worden of alleszins niet wenselijk is. Van Quickenborne stelt zich terecht vragen bij de gangbare praktijk welke maakt dat een Brussels ambtenaar meer macht heeft in het bepalen waar er een bushalte komt in een gemeente dan de democratisch verkozen burgemeester. Het buitenland toont aan dat een minder gecentraliseerd bestuur met meer macht voor steden en gemeenten perfect mogelijk is.

Maar wie zijn geschiedenis kent, of al enkele jaren in het bedrijfsleven meedraait, weet dat centralisatie altijd volgt op decentralisatie en vice versa. Net zoals bedrijven steeds verder centraliseren tot een kritiek punt overschreden wordt, waarna ze weer beginnen decentraliseren tot ook daar een kritiek punt overschreden wordt, doen staten en samenlevingen doorheen de geschiedenis hetzelfde. Dit pendulum van afwisselende centralisatie en decentralisatie kunnen we eenvoudig illustreren door de Europese staatkundige geschiedenis onder de loep te nemen. Aanvankelijk bestond Europa uit stammen en losse cultuurgemeenschappen, tot ze veroverd werden door het Romeinse Rijk. Na 476 vervalt Europa opnieuw in kleine stammen en cultuureenheden. Clovis weet een eerste kleine hereniging door te voeren en Karel de Grote onderwerpt een zeer groot deel van het Europese continent, maar het duurt niet lang voordat de decentralisatie zich opnieuw inzet, hetzij geleidelijker nu, tot Frankrijk en Duitsland uit elkaar gevallen zijn in kleine vorstendommen, waarna opnieuw een centraliserende tendens wordt ingezet. In Frankrijk zette de decentralisatie zich niet in die mate door dat het lang duurde voor de Franse vorsten zich absoluut wisten, maar in Duitsland duurde het tot 1871 voordat het Keizerrijk Pruisen ontstond. En terwijl Duitsland door langzame centralisatie zich steeds meer tot een unitair land ontpopt, zijn in verschillende deelstaten zoals onder meer Beieren alweer sterke onafhankelijkheidsbewegingen tot stand gekomen. Aan de oorsprong van dit perpetuum mobile liggen de voordelen die een centraal en decentraal bestuur te bieden hebben. Centraal bestuur werkt doorgaans efficiënter, goedkoper en uniform, terwijl een decentraal bestuur meer inspeelt op de noden van de plaatselijke bevolking, democratischer is en korter op de bal kan zit. De slingerbeweging ontstaat daar enerzijds het gras altijd groener is aan de andere kant en anderzijds de mutuele exclusiviteit van de onmiskenbare voordelen van elke staatsvorm. Echter, die mutuele exclusiviteit is iets uit vervlogen tijden. Glocalisering behelst immers dat de voordelen die beide uitersten te bieden hebben, door de toepassing van moderne technieken perfect combineerbaar zijn. Meer nog, de efficiënte en doordachte combinatie van beide is onontbeerlijk om tot een meer democratisch bestel te komen. De digitale revolutie maakt het immers mogelijk om zowel lokaal als bovenlokaal te werken. Daarenboven laat het toe om in veranderende constellaties samen te werken. Het is perfect mogelijk om een project op Vlaams niveau te organiseren, maar evengoed kunnen projecten georganiseerd worden waartoe slechts enkele gemeenten toetreden. De vrijheid moet centraal staan, zowel van de stadsregio of streekbestuur, als dat van de burger.

De digitale revolutie heeft haar sporen nagelaten in de samenleving. Het politieke is in de eerste plaats een sociale aangelegenheid. De organisatie van de politiek op lokaal niveau in de vorm van stadsregio’s en streekbesturen, laat toe de bevolking meer te betrekken bij het bestuur. Een van de eerste democratieën, en door velen gezien als het summum van het democratische bestel, organiseerde zich rond de Agora van Athene. De sociale media bewijzen dat niet enkel de opslag van gegevens een virtuele aangelegenheid is geworden. Steeds meer van de sociale samenleving speelt zich online af. Of we dit goed- of afkeuren is van ondergeschikt belang, het is een feit waarmee we moeten leren leven als individu en als samenleving. De virtuele politiek is een logische volgende stap in de evolutie. Een volwaardige online vergadering is in de wereld van multinationals geen zeldzaamheid meer. Om de nodige dossierkennis aan de dag te kunnen leggen, vereist de politiek nog steeds een verkozen uitvoerend en wetgevend orgaan; een regering en een parlement of een college en gemeenteraad. Dossiers slepen immers vaak jaren aan, het is voor de modale man vaak onmogelijk om de nodige tijd te spenderen om het dossier onder de knie te krijgen en alle pro’s en contra’s tegen elkaar af te wegen. Daarom dat referenda over complexe dossiers compleet van de pot gerukt zijn. Maar dat wil niet zeggen dat men zijn mening niet mag ventileren. Uiteindelijk moet de politiek nog steeds verantwoording afleggen aan de burger en haar belangen als toetssteen nemen voor de evaluatie van het beleid. De digitalisering van de sociale wereld laat toe om verder te gaan dan in het verleden in de burgerlijke inspraak en de burgerlijke controle. Het laat met andere woorden de politici toe meer en vlotter in te spelen op de noden van de samenleving en de burgers hun controlerende functie uit te voeren. De oude Griekse staatsstructuur in Vlaanderen met het internet als contemporaine virtuele agora.

Advertenties

One thought on “De Digitale Poleis van Vlaanderen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s